simcha

afbreking: sim·cha [ ? ]
  [uitspraak: siemcha] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sma·chot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. vreugde;
  2. feest
[ ? ]

verwant: Jiddisj: simche [ ? ]
zie ook: Beth Simcha, Gan Simcha, moadiem lesimcha  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-