Simon, Simeon

afbreking: Si·mon (nr. 6-15), Si·me·on (nr. 1-5, 15) [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 29:33 '(de Heer) heeft gehoord';  

 
  1. tweede van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Lea(2)-1 (o.a. Gen. 29:33; nr. 1-3: 43x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:23; nr. 1-3: 43x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, omgeven door het gebied van Juda-3, met de plaats Berseba-1 (o.a. Ez. 48:25; nr. 1-3: 43x: Gen. 29:33 +, Ex. 1:2 +, Num. 1:6 +, Deut. 27:12, Joz. 19:1 +, Recht. 1:3 +, Ez. 48:24 +, 1 Kron. 2:1 +, 2 Kron. 15:9 +);
  4. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:31);
  5. man die in de tempel is, als Jezus daar wordt binnengebracht (Luc. 2:25, 2:34);
  6. apostel; andere naam: Petrus (53x: Mat. 4:18 +, Marc. 1:16 +, Luc. 4:38 +, Joh. 1:40 +, Hand. 10:5 +, 2 Petr. 1:1);
  7. zeloot, een van de discipelen (4x: Mat. 10:4, Marc. 3:18, Luc. 6:15, Hand. 1:13);
  8. broer van Jezus (Mat. 13:55, Marc. 6:3);
  9. melaatse in Betanië (Mat. 26:6, Marc. 14:3);
  10. man uit Cyrene (Mat. 27:32, Marc. 15:21, Luc. 23:26);
  11. farizeeër (Luc. 7:40, 7:43, 7:44);
  12. vader van Judas Iskariot (Joh. 6:71, 13:2, 13:26);
  13. tovenaar (4x: Hand 8:9 +);
  14. leerlooier uit Joppe (Hand. 9:43, 10:6, 10:17);
  15. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Simon, Simeon  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjimon [ ? ]
spelling: 'Simon, Simeon' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-