Sion

Sion (1)

afbreking: Si·on [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zuidelijk deel van de oostelijke berg van Jeruzalem-1 met de burcht van de Jebusieten (o.a. 2 Sam. 5:7; nr. 1-3: 154x, zie nr. 3);
  2. de berg van Jeruzalem-1 met de tempel (o.a. Ps. 9:12; nr. 1-3: 154x, zie nr. 3);
  3. stad en bewoners van Jeruzalem-1 (o.a. 2 Kon. 19:21; nr. 1-3: 154x: 2 Sam. 5:7, 1 Kon. 8:1, 2 Kon. 19:21, 19:31, Jes. 1:8 +, Jer. 3:14 +, Joël 2:1 +, Am. 1:2, 6:1, Ob. 17, 21, Mi. 1:13 +, Sef. 3:14, 3:16, Zach. 1:14 +, Ps. 2:6 +, Hoogl. 3:11, Klaagl. 1:4 +, 1 Kron. 11:5, 2 Kron. 5:2; ook 7x in NT);
  4. symbool voor het verlangen van het Joodse volk naar terugkeer naar het land Israël-7
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Tsion [ ? ]
spelling: spelling elders: Zion  
zie ook: Sion(3), Sion(4)  

Sion (2)

afbreking: Si·on [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  hoge berg ten noordoosten van de plaats Dan-4, uitloper van de Anti-Libanon; andere namen: Hermon, Senir, Sirjon (Deut. 4:48) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sion(3) [ ? ]
zie ook: Sjion, Tsion  

Sion (3)

afbreking: Si·on [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  hoge berg ten noordoosten van de plaats Dan-4, uitloper van de Anti-Libanon; andere namen: Hermon, Senir, Sirjon(2) (Deut. 4:48) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sion(2) [ ? ]
zie ook: Sion, Sion(4)  

Sion (4)

afbreking: Si·on [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  plaats in het gebied van Issachar-3 (Joz. 19:19) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjion [ ? ]
zie ook: Sion, Sion(3)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-