sjaukelen, sjokkelen

afbreking: sjau·ke·len, sjok·ke·len [ ? ]
vervoeging: sjau·kel·de, ge·sjau·keld, sjok·kel·de, ge·sjok·keld  
herkomst: Jiddisj [ ? ]

  zich heen en weer bewegen bij het gebed [ ? ]

spelling: 'sjaukelen, sjokkelen' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-