sjekel

afbreking: sje·kel [ ? ]
  [uitspraak: sjèkèl] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sje·ka·liem, sje·kels
[uitspraak: sjəkaliem, sjèkels]
 
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(bepaald) gewicht';  

 
  1. gewichtsmaat, waarschijnlijk vaak ruim elf gram; een sjekel is een vijftigste mine en twintig gera (88x: Gen. 23:15 +, Ex. 21:32 +, Lev. 5:15 +, Num. 3:47 +, Num. 3:47 +, Num. 3:47 +, Joz. 7:21, 1 Sam. 9:8 +, 2 Sam. 14:26 +, 2 Kon. 7:1 +, Jer. 32:9, Ez. 4:10 +, Am. 8:5, Neh. 5:15 +, 1 Kron. 21:25, 2 Kron. 3:9);
  2. gewichtseenheid en munt in de tijd van Misjna en Talmoed;
  3. munteenheid en muntstuk van de staat Israël-8 van 1948 tot 1985;
  4. bekorting van: sjekel chadasj
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): sjekel, sikkel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-