Sjema

Sjema (1)

afbreking: Sje·ma [ ? ]
  [uitspraak: Sjəma] [ ? ]
lidwoord: het  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  bekorting van: Sjema Jisraëel [ ? ]

zie ook: kriat Sjema  

Sjema (2)

afbreking: Sje·ma [ ? ]
  [uitspraak: Sjəma] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het gebied van Juda-3; andere naam: Seba(3)-1 (Joz. 15:26) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sema(2) [ ? ]

Sjema (3)

afbreking: Sje·ma [ ? ]
  [uitspraak: Sjèma] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'horen';  

 
  1. een van degenen die naast Ezra-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4);
  2. afstammeling van Juda-1, nakomeling van Kaleb, zoon ofwel inwoner Hebron-1 (1 Kron. 2:43, 2:44);
  3. afstammeling van Ruben-1, nakomeling van Jeïël-3, zoon van Joël-6 (1 Kron. 5:8);
  4. afstammeling van Benjamin-1, familiehoofd van de inwoners van Ajjalon-1; mogelijk identiek met Simi-13 (1 Kron. 8:13)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sema [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-