Sjema Jisraëel

afbreking: Sje·ma Jis·ra·ëel [ ? ]
  [uitspraak: Sjəma Jiesraëel] [ ? ]
lidwoord: het  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'hoor Jisraëel/Israël' (Deut. 6:4);  

  een van de belangrijkste gebeden, o.a. voorkomend in het ochtend- en avondgebed, bestaand uit drie Toragedeelten (Deut. 6:4-9, 11:13-21 en Num. 15:37-41); bekorting: Sjema [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-