Sjeva

Sjeva (1)

afbreking: Sje·va [ ? ]
  [uitspraak: Sjəva] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. nakomeling van Cham-1, kleinzoon van Kus-2, zoon van Rama; wordt evenals Seba-2 en Seba-3 beschouwd als stamvader van volk en gebied van Seba-4 (Gen. 10:7, 1 Kron. 1:9);
  2. nakomeling van Sem, kleinzoon van Eber-1, zoon van Joktan; wordt evenals Seba-1 en Seba-3 beschouwd als stamvader van volk en gebied van Seba-4 (Gen. 10:28, 1 Kron. 1:22);
  3. kleinzoon van Abraham-1, zoon van Joksan; wordt evenals Seba-1 en Seba-2 beschouwd als stamvader van volk en gebied van Seba-4 (Gen. 25:3, 1 Kron. 1:32);
  4. volk en gebied in het zuiden van Arabië dat handel drijft; de koningin daarvan bezoekt Salomo-1 (16x: 1 Kon. 10:1 +, Jes. 60:6, Jer. 6:20, Ez. 7:22 +, Ps. 72:10 +, 2 Kron 9:1 +);
  5. volk van rovende nomaden; mogelijk identiek met Seba-4 (Job 1:15)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Seba(2) [ ? ]
zie ook: Sjevaïet  

Sjeva (2)

afbreking: Sje·va [ ? ]
  [uitspraak: Sjèva] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het gebied van Juda-3; andere naam: Sema(2) (Joz. 19:2);
  2. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Bichri; leidt een opstand tegen David-1 (8x: 2 Sam. 20:1 +);
  3. afstammeling van Gad-1 (1 Kron. 5:13)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Seba(3) [ ? ]
zie ook: Bat Sjeva, Beër Sjeva, Beëer Sjeva  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-