Sjimi

afbreking: Sji·mi [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'horen';  

 
  1. kleinzoon van Levi-1, zoon van Gerson, stamvader van de Simieten (8x: Ex. 6:17, Num. 3:18, 1 Kron. 6:2 +);
  2. afstammeling van Benjamin-1, uit de familie van Saul-1, zoon van Gera, uit Bachurim, stelt zich op tegenover David-1 (18x: 2 Sam. 16:5 +, 1 Kon. 2:8 +);
  3. een van degenen die zich verzetten tegen Adonia-1 (1 Kon. 1:8);
  4. zoon van Ela, stadhouder in het gebied van Benjamin-3 (1 Kon. 4:18);
  5. afstammeling van Benjamin-1, grootvader van Mordechai-1 (Est. 2:5);
  6. Leviet-2, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:23);
  7. zoon van Chasum, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:33);
  8. zoon van Bani, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:38);
  9. nakomeling van David-1, zoon van Pedaja, broer van Zerubbabel (1 Kron. 3:19);
  10. afstammeling van Simeon-1, zoon van Zakkur (1 Kron. 4:26, 4:27);
  11. afstammeling van Ruben-1, zoon van Gog-2 (1 Kron. 5:4);
  12. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Merari, zoon van Libni (1 Kron. 6:14);
  13. afstammeling van Benjamin-1, vader van negen zonen; mogelijk identiek met Sema-4 (1 Kron. 8:21);
  14. nakomeling van Jedutun, hoofd van de tiende afdeling zangers (1 Kron. 25:17);
  15. functionaris bij David-1, verantwoordelijk voor de wijngaarden (1 Kron. 27:27);
  16. Leviet-2, nakomeling van Heman-3; leeft in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:14);
  17. Leviet-2, broer van Konanjahu; leeft in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 31:12, 31:13)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Simi [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-