slicha

slicha (1)

afbreking: sli·cha [ ? ]
  [uitspraak: sliecha] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sli·chot
[uitspraak: sliechot]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  boetegebed; [ ? ]

verwant: Jiddisj: slieche [ ? ]

slicha (2)

afbreking: sli·cha [ ? ]
  [uitspraak: sliecha] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  sorry!, excuus!, pardon! [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-