snikkel, sjnikkel

afbreking: snik·kel, sjnik·kel [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: snik·kels, sjnik·kels  
herkomst: Bargoens [ ? ]

  mannelijk lid, penis [ ? ]

spelling: 'snikkel, sjnikkel' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  
zie ook: zwans  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-