snogeiro

afbreking: sno·gei·ro [ ? ]
  [uitspraak: snoğeero] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sno·gei·ro's
[uitspraak: snoğeero's]
 
herkomst: Portugees-Nederlands [ ? ]

  bezoeker van snoge [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-