Sofriem

afbreking: So·friem [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'schrijvers';  

 
  1. enkele generaties schriftgeleerden uit wier arbeid de schriftelijke vastlegging van de mondelinge Tora zich kon ontwikkelen (laatste eeuwen v.C.; voor de Tanaïeten);
  2. een van de zogeheten 'kleine traktaten' uit de Talmoedische periode, over het schrijven van Torarollen
[ ? ]

zie ook: Dikdoekee Sofriem, Tikoen Sofriem, Sofeer  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-