Sukkot

afbreking: Suk·kot [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'hutten';  

 
  1. plaats in het gebied van Gad-3, bij de Jabbok (14x: Gen. 33:17, Joz. 13:27, Recht. 8:5 +, 1 Kon. 7:46, Ps. 60:8 +, 2 Kron. 4:17);
  2. plaats ten oosten van de delta van de Nijl, halteplaats van de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän (4x: Ex. 12:37, 13:20, Num. 33:5, 33:6)
[ ? ]

  Sukkot  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Soekot [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-