taäm

afbreking: ta·äm, ta·äm [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: te·a·miem
[uitspraak: təamiem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. smaak;
  2. reden voor gebod of verbod;
  3. voordrachtteken bij een woord in masoretische Hebreeuwse Bijbel (OT)
[ ? ]

zie ook: negina  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-