targoem

afbreking: tar·goem [ ? ]
  [uitspraak: tarğoem] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: tar·goe·miem, tar·goems
[uitspraak: tarğoemiem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'vertaling';  

  vertaling van een deel van de Hebreeuwse Bijbel (OT) in het Aramees [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-