Tarsis

afbreking: Tar·sis [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Jafet, zoon van Jawan; andere vorm in 1 Kron. 1:7: Tarsisa (Gen. 10:4, 1 Kron. 1:7);
  2. kustplaats aan de Middellandse Zee, eerder in het uiterste westen dan in Griekenland, waaraan bij Jawan van Tarsis-1 kan worden gedacht (24x: 1 Kon. 10:22 +, Jes. 2:16 +, Jer. 10:9, Ez. 27:12 +, Jona 1:3 +, Ps. 48:8 +, 2 Kron. 9:21 +);
  3. een van de zeven hooggeplaatste raadsheren van koning Ahasveros (Est. 1:14);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jediaël (1 Kron. 7:10)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Tarsjiesj, Tarsjiesja [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-