tebet

afbreking: te·bet [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  tiende maand van het joodse jaar, in december-januari (Est. 2:16); vierde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): tevet [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-