tesjoeva

afbreking: te·sjoe·va [ ? ]
  [uitspraak: təsjoeva] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: te·sjoe·vot
[uitspraak: təsjoevot]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'terugkeer';  

 
  1. het omkeren, berouw, inkeer;
  2. responsum, antwoord bij sjeëlot oetesjoevot
[ ? ]

zie ook: aseret jemee tesjoeva, baäl tesjoeva  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-