tippelen

afbreking: tip·pe·len [ ? ]
vervoeging: tip·pel·de, ge·tip·peld  
herkomst: Bargoens [ ? ]

 
  1. op stelen uitgaan;
  2. in 'tippelen op': uit zijn op, gecharmeerd zijn van;
  3. bezig zijn met straatprostitutie
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-