tsedaka

afbreking: tse·da·ka [ ? ]
  [uitspraak: tsədaka] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: tse·da·kot
[uitspraak: tsədakot]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. gerechtigheid, liefdadigheid;
  2. daad van gerechtigheid, daad van liefdadigheid
[ ? ]

verwant: Jiddisj: tsedoke [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-