Tsevaot

afbreking: Tse·va·ot [ ? ]
  [uitspraak: Tsəvaot] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'legerscharen, legers';  

  meervoudsvorm van het woord voor 'leger(schare)', meestal voorafgegaan door de vierletternaam van de Heer, ook wel door Elohiem ofwel God; in vertalingen vaak: (der) heerscharen, (van de) machten, (van de) hemelse machten (1 Sam. 1:3 +, 2 Sam. 5:10 +, 1 Kon. 18:15 +, 2 Kon. 3:14, Js. 1:9 +, Jr. 2:19 +, Hos. 12:6, Am. 3:13 +, Mi. 4:4, Nah. 2:14 +, Hab. 2:13, Sef. 2:9 +, Hag. 1:2 +, Zach. 1:3 +, Mal. 1:4 +, Ps. 24:10 +, 1 Kron. 11:9 +; Griekse vorm 2x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sebaot [ ? ]
zie ook: Tsiwoth Hashem  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-