Tsidkia

afbreking: Tsid·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn gerechtigheid is de Heer';  

 
  1. zoon van Kenaäna, valse profeet in de tijd van koning Achab-1 van Israël-4; andere naam: Sidkiahu-1 (1 Kon. 22:11);
  2. zoon van Josia en Chamutal, tot koning van Juda-4 aangesteld door Nebukadnessar; tot hem zijn woorden gericht van de profeet Jeremia-1; andere naam: Sidkiahu-2, eerdere naam: Mattanja (5x: Jer. 28:1 +, 1 Kron. 3:16);
  3. een van degenen die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:2)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sidkia [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-