Uria

afbreking: Uria [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn licht is de Heer';  

 
  1. Hethiet, man van Batseba, een van de helden van David-1 (26x: 2 Sam. 11:3 +, 1 Kon. 15:5, 1 Kron. 11:41);
  2. priester in de tijd van koning Achaz(2)-1 van Juda-4 (6x: 2 Kon. 16:10 +, Jes. 8:2);
  3. zoon van Hakkos, vader van Meremot; mogelijk identiek met Uria-4 (Ezra 8:33, Neh. 3:4, 3:21);
  4. een van degenen die naast Ezra(2)-1 staan bij het voorlezen van de Tora; mogelijk identiek met Uria-3 (Neh. 8:4)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Oeria [ ? ]
zie ook: Uriahu, Uria  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-