Uzzia

afbreking: Uz·zia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn kracht is de Heer';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Amasja-1 van Juda-4; andere namen: Azarjahu-3, Azarja(2)-1, Uzziahu-1 (5x: 2 Kon. 15:13 +, Hos. 1:1, Am. 1:1, Zach. 14:5; ook 2x in NT);
  2. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:21);
  3. afstammeling van Juda-1, zoon van Zecharja-9, vader van Ataja (Neh. 11:4);
  4. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Kehat(2), zoon van Uriël-1 (1 Kron. 6:9);
  5. een van de helden van David-1, uit Astarot (1 Kron. 11:44)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Oezia [ ? ]
spelling: spelling elders: Azarias, Ozias  
zie ook: Uzziahu, Uzzia  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-