Uzziahu, Uzzia

afbreking: Uz·zi·a·hu, Uz·zia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn kracht is de Heer';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Amasja-1 van Juda-4; andere namen: Azarjahu-3, Azarja(2)-1, Uzzia-1 (18x: 2 Kon. 15:32 +, Jes. 1:1 +, 2 Kron. 26:1 +);
  2. vader van Jehonatan-8 (1 Kron. 27:25)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Oeziahoe [ ? ]
spelling: 'Uzziahu' wordt in de meeste vertalingen 'Uzzia'; spelling elders: Azarias, Ozias  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-