Zebulon

afbreking: Ze·bu·lon [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 30:20 verband met 'geschenk' en met 'verheffen, (als vrouw) erkennen';  

 
  1. tiende van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Lea(2)-1 (o.a. Gen. 30:20; nr. 1-3: 45x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:31; nr. 1-3: 45x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten westen van het Meer van Kinneret (o.a. Recht. 12:12; nr. 1-3: 45x: Gen. 30:20 +, Ex. 1:3, Num. 1:9 +, Deut. 27:13 +, Joz. 19:10 +, Recht. 1:30 +, Jes. 8:23, Ez. 48:26 +, Ps. 68:28, 1 Kron. 2:1 +, 2 Kron. 30:10 +; ook 3x in NT);
  4. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Zebulon  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Zevoeloen [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-