Zecharjahoe

afbreking: Ze·char·ja·hoe [ ? ]
  [uitspraak: Zəcharjahoe] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer gedenkt';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Jerobeam-2 van Israël-4; andere naam: Zecharja-2 (2 Kon. 15:8);
  2. zoon van Jeberechjahu, getuige bij een profetie van Jesajahu-1; mogelijk identiek met Zecharja-3 (Jes. 8:2);
  3. afstammeling van Ruben-1, familielid van Jeïël-3 (1 Kron. 5:7);
  4. Leviet-2, poortwachter, bespeler van een snaarinstrument bij de komst van de verbondsark in Jeruzalem-1; andere naam: Zecharjahu-16 (1 Kron. 15:18);
  5. priester, trompetspeler bij de komst van de verbondsark in Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:24);
  6. Leviet-2, nakomeling van Uzziël, zoon van Jissia (1 Kron. 24:25);
  7. zoon van Meselemja, poortwachter; andere naam: Zecharja-14 (1 Kron. 26:2, 26:14);
  8. nakomeling van Merari, vierde zoon van Chosa, poortwachter (1 Kron. 26:11);
  9. vader van Jiddo, die hoofd is van de halve stam Manasse in Gilead-1 (1 Kron. 27:21);
  10. vader van de Leviet-2 Jachaziël (2 Kron. 20:14);
  11. zoon van Jehosafat-3, broer van koning Joram-2 van Juda-4 (2 Kron. 21:2);
  12. degene die koning Uzzia-1 van Juda-4 onderricht (2 Kron. 26:5);
  13. grootvader van koning Hizkia-2 van Juda-4; andere naam: Zecharja-3 (2 Kron. 29:1);
  14. Leviet-2, nakomeling van Asaf-2; leeft in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:13);
  15. een van de hoofden bij de tempel in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 35:8)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Zecharjahu, Zecharja [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-