Zerach

afbreking: Ze·rach [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer is) zonsopgang, glans', volgens Gen. 38:28 'wie het eerst verscheen';  

 
  1. kleinzoon van Esau-1 en Basemat, zoon van Reüel-1; mogelijk identiek met Zerach-2 (Gen. 36:13, 36:17, 1 Kron. 1:37);
  2. vader van Jobab, die koning is in Edom-2; mogelijk identiek met Zerach-1 (Gen. 36:33, 1 Kron. 1:44);
  3. zoon van Juda-1 en Tamar-1, stamvader van de Zarchieten-2 (11x: Gen. 38:30 +, Num. 26:20, Joz. 7:1 +, Neh. 11:24, 1 Kron. 2:4 +);
  4. vierde zoon van Simeon-1 (Num. 26:13, 1 Kron. 4:24);
  5. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Gerson, zoon van Iddo; mogelijk identiek met Zerach-6 (1 Kron. 6:6);
  6. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Gerson, zoon van Adaja; mogelijk identiek met Zerach-5 (1 Kron. 6:26);
  7. legeraanvoerder uit Nubië-1; strijdt met koning Asa-1 van Juda-4 (2 Kron. 14:8)
[ ? ]

zie ook: Zarchiet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-