Zeroebavel

afbreking: Ze·roe·ba·vel [ ? ]
  [uitspraak: Zəroebavel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: in het Akkadisch 'zaad/nakomeling van Bavel/Babel';  

  kleinzoon van koning Jojachin van Juda-4, zoon van Sealtiël of Pedaja; leidt de terugkeer van Israëlieten naar hun land uit de ballingschap in Babel-2 (22x: Hag. 1:1 +, Zach. 4:6 +, Ezra 2:2 +, Neh. 7:7 +, 1 Kron. 3:19; Griekse vorm 3x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Zerubbabel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-