Zilpa

Zilpa (1)

afbreking: Zil·pa [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: in het Arabisch 'met een kleine neus';  

  slavin van Lea-1, moeder van Gad-1 en Aser-1, de zevende en achtste zoon van Jakob-1 (7x: Gen. 29:24 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Zilpa(2) [ ? ]

Zilpa (2)

afbreking: Zil·pa [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: in het Arabisch 'met een kleine neus';  

  slavin van Lea(2)-1, moeder van Gad-1 en Aser-1, de zevende en achtste zoon van Jakob-1 (7x: Gen. 29:24 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Zilpa [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-