zimoen

afbreking: zi·moen [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: zi·moe·niem  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'bijeenkomst';  

  inleiding tot het dankgebed na de maaltijd, waartoe minstens drie godsdienstig meerderjarige, mannelijke personen bij elkaar moeten zijn [ ? ]

zie ook: mezomme  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-