zwans

lidwoord: de  
meervoud: zwan·sen, zwan·zen  
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. staart;
  2. mannelijk lid, penis;
  3. flauwekul, gekheid, dwaasheid, nar, prutser
[ ? ]

zie ook: snikkel, sjnikkel  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-